Uw pensioenregeling bij SPH

Hieronder leest u in het kort over de pensioenregeling van SPH. U leest wie er meedoen, hoe u pensioen opbouwt, welke pensioenen en keuzes u heeft, wat u moet doorgeven en wat er gebeurt als u niet meer meedoet met de pensioenregeling.

Wie doen er mee aan de pensioenregeling?

SPH is het Pensioenfonds van, voor en door huisartsen. Bijna alle in Nederland wonende en werkende huisartsen doen mee aan de pensioenregeling voor huisartsen. Dat heet deelnemen aan de pensioenregeling. Vrijgevestigd huisartsen, waarnemend huisartsen en huisartsen in dienstverband zijn deelnemer.

U bent geen deelnemer meer aan de pensioenregeling als u geen huisarts meer bent. Tenzij u arbeidsongeschikt bent. En als u overlijdt, gelden uiteraard de aanspraken van uw partner en kinderen op pensioen.

Er is nog een situatie waarin u deelnemer kunt blijven. Ook al bent u gestopt als huisarts. U kunt er voor kiezen om vrijwillig deel te nemen. Dat mag maximaal drie jaar. U moet dan wel direct aansluitend blijven deelnemen. Als u daarvoor kiest blijft de hele pensioenregeling voor u gelden.

Er zij drie groepen huisartsen die niet deelnemen aan de pensioenregeling, dat zijn:

  • huisartsen die uitsluitend in loondienst werken in een gezondheidscentrum zonder winstoogmerk. En die verplicht pensioen opbouwen bij het Pensioenfonds Zorg en Welzijn.
  • huisartsen die uitsluitend in loondienst werken en verplicht pensioen opbouwen bij het ABP.
  • huisartsen in opleiding. Zolang zij in opleiding zijn, hebben zij een pensioenregeling bij het Pensioenfonds voor Huisartsen in Opleiding.

Hoe bouwt u pensioen op?

Uw pensioen bestaat uit twee delen
Voor de opbouw van uw pensioenen betaalt u premie. Die premie verdelen wij. Ongeveer de eerste helft van uw premie reserveren wij voor redelijk zekere pensioenen die op uw naam staan. Die pensioenen noemen wij het ‘normpensioen’.

De andere helft van uw premie reserveren wij in een gezamenlijke buffer. Uit deze buffer proberen wij elk jaar een bedrag vrij te maken om uw normpensioen te verhogen. Dat noemen wij een voorwaardelijke toeslag.

Uniform Pensioenoverzicht

Hoeveel pensioen u in totaal heeft opgebouwd, kunt u zien op het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) dat u als deelnemer elk jaar van ons ontvangt. Daar ziet u de hoogte van uw pensioenen inclusief de toeslagen die u al heeft gekregen. Bent u geen deelnemer meer maar een ‘gewezen deelnemer’? Ook dan ontvangt u jaarlijks een UPO.

Welke soorten pensioen zijn er?

De pensioenregeling van SPH heeft de volgende pensioenen en voorzieningen:

Ouderdomspensioen - uw inkomen als u gestopt bent met werken

Het ouderdomspensioen is de uitkering die u van ons ontvangt vanaf uw pensioendatum. Het ouderdomspensioen keren wij levenslang uit.

Het ouderdomspensioen bouwt u op. Dat betekent dat wij elk jaar een deel van uw premie reserveren om later uw pensioen te kunnen betalen. Uw opgebouwde pensioen proberen wij elk jaar te verhogen.

De hoogte van uw pensioenuitkering hangt daarom af van:

Partnerpensioen - het inkomen voor uw partner als u overlijdt 

Partnerpensioen is de uitkering die uw partner van ons ontvangt als u komt te overlijden. Het partnerpensioen keren wij levenslang uit. Ook als uw partner na uw overlijden een nieuwe partner krijgt.

Met een partner bedoelen wij:

  • uw echtgenoot of echtgenote
  • uw geregistreerde partner
  • de partner met wie u een notariële samenlevingsovereenkomst heeft

U bouwt altijd partnerpensioen op
Ook als u (nog) geen partner heeft. Daarmee zorgt u ervoor dat uw toekomstige partner een volledig partnerpensioen ontvangt. Heeft u op uw pensioendatum geen partner? Dan kunt u het opgebouwde partnerpensioen gebruiken voor een hoger ouderdomspensioen.

Met ‘opbouwen’ bedoelen wij dat wij een deel van uw premie reserveren om partnerpensioen te kunnen betalen.

Let op: alleen aangemelde partners kunnen partnerpensioen krijgen.

De hoogte van het partnerpensioen is maximaal 70% van uw ouderdomspensioen
De hoogte hangt af van het moment van overlijden. 

  • U komt te overlijden tijdens uw deelname. Als u komt te overlijden voordat u met pensioen gaat, ontvangt uw partner het partnerpensioen dat u heeft opgebouwd. En het partnerpensioen dat u had kunnen opbouwen als u had deelgenomen tot de pensioendatum. Dit laatste deel is verzekerd. Daar betaalt u een premie voor.
  • U komt te overlijden na uw pensioendatum. Als u komt te overlijden nadat u met pensioen bent gegaan, ontvangt uw partner het door u opgebouwde partnerpensioen. Dit is maximaal 70% van de uitkering van uw ouderdomspensioen.
  • U komt te overlijden nadat uw deelname is beëindigd. Uw partner ontvangt het partnerpensioen dat u tijdens uw deelname heeft opgebouwd.

In alle drie de gevallen proberen wij elk jaar het partnerpensioen te verhogen.

Tijdelijk aanvullend partnerpensioen - extra pensioen voor uw partner als u overlijdt voordat u ouderdomspensioen krijgt

Overlijdt u voor uw pensioendatum? Dan ontvangt uw partner een aanvulling op het partnerpensioen tot hij of zij AOW krijgt. De uitkering is ruim € 17.470 per jaar (in 2018). Het tijdelijk aanvullende partnerpensioen dat uw partner ontvangt, verhogen wij elk jaar met 2%.

U bent verzekerd voor een tijdelijk aanvullend partnerpensioen, gedurende de periode dat u pensioen opbouwt. Dit pensioen is dus niet verzekerd voor de gewezen deelnemers en de gepensioneerden.

Wezenpensioen - het inkomen voor uw kinderen als u overlijdt 

Het wezenpensioen is de uitkering die uw kinderen ontvangen als u komt te overlijden. Met uw kinderen bedoelen wij ook uw stief- en pleegkinderen, niet-erkende kinderen en de kinderen van uw partner, als u hen onderhoudt en opvoedt.

Het wezenpensioen per kind is maximaal 14% van het ouderdomspensioen. Wij gaan uit van het ouderdomspensioen dat u op de pensioendatum heeft of zou hebben. Dus ook als u voor de pensioendatum overlijdt. Overlijden u en uw partner allebei? Dan verdubbelen wij het wezenpensioen. Het wezenpensioen proberen wij elk jaar te verhogen.

Uw kind krijgt wezenpensioen tot hij of zij 18 jaar wordt. Als uw kind studeert of arbeidsongeschikt is, verlengen wij het wezenpensioen maximaal tot 27 jaar. Uw kinderen zijn hiervoor automatisch verzekerd, u hoeft hen niet apart aan te melden.

Extra aanvullend wezenpensioen

Uw kind ontvangt extra aanvullend wezenpensioen als u komt u te overlijden voordat u met pensioen gaat. En uw kind daardoor het ‘gewone’ wezenpensioen ontvangt.

De uitkering is € 5.631 per jaar (in 2018). Als uw kind het dubbele wezenpensioen ontvangt, krijgt het ook het extra aanvullend wezenpensioen dubbel.

Het extra aanvullende wezenpensioen dat uw kind ontvangt, verhogen wij elk jaar met 2%.

Premieovername bij arbeidsongeschiktheid - wij betalen uw premie door als u arbeidsongeschikt bent

Als u geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt voor het beroep van huisarts, zal dit invloed hebben op uw inkomen en op het pensioen dat u daarmee nog kunt opbouwen. Daarom kunnen wij bij arbeidsongeschiktheid de premiebetaling geheel of gedeeltelijk van u overnemen. Zo blijft uw pensioenopbouw gegarandeerd.

Of wij uw premiebetaling overnemen hangt af van:

  • de mate waarin u arbeidsongeschikt bent
  • de daling van uw inkomen die daarvan het gevolg is
  • of de arbeidsongeschiktheid tijdig bij ons is gemeld
  • of u een inkomensvervangende uitkering ontvangt, na de eerste drie jaar van premieovername

U moet tenminste een jaar lang 25% ononderbroken arbeidsongeschikt zijn voordat wij uw premiebetaling overnemen.

Arbeidsongeschiktheidspensioen - een aanvulling op de WIA-uitkering voor huisartsen in loondienst die geen DGA zijn 

Voor huisartsen in dienstverband, niet zijnde DGA, is er een arbeidsongeschiktheidspensioen. Bent u volgens het UWV arbeidsongeschikt, dan kunt u in aanmerking komen vooreen aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen van ons.  

Het arbeidsongeschiktheidspensioen verhogen wij elk jaar met 2%.

U leest meer in de brochure 'Arbeidsongeschikt' .

Waarvoor kunt u zelf kiezen?

Het door u opgebouwde ouderdomspensioen gaat in als u 68 jaar wordt, tenzij u anders kiest.
Rondom uw pensioendatum heeft u namelijk een aantal keuzemogelijkheden. U kunt kiezen voor;

Eerder of later met pensioen

Bij uw pensioenopbouw gaan wij uit van een pensioenleeftijd van 68 jaar. U kunt ervoor kiezen om uw pensioen eerder of juist later te laten ingaan. De pensioenleeftijd mag liggen tussen 60 en 73 jaar.

Eerder met pensioen gaan heeft wel gevolgen voor de hoogte van uw uitkering. U stopt eerder met betalen van de pensioenpremie. U bouwt dus ook minder pensioen op en het pensioen moet over meer jaren worden uitbetaald. Dat betekent dat de uitkering lager is dan wanneer u zou doorwerken tot 68 jaar. Ook het partnerpensioen zal lager zijn.

Bij later met pensioen gaan, wordt uw pensioen juist hoger. Uw pensioen betalen we namelijk korter uit, omdat u later begint. Vanaf het moment dat u 68 jaar wordt, hoeft u geen pensioenpremie meer te betalen, ook niet als u uw pensioen later laat ingaan.

Wilt u uw pensioen meer dan vijf jaar voor uw AOW-leeftijd laten ingaan? Dan kan dit alleen als u voldoet aan de eisen die de Belastingdienst hieraan stelt.

Uw pensioenaanspraken bij een keuzeverzekeraar kunt u in laten gaan tussen uw 60e en 70e. Uiterlijk als u 70 jaar wordt gaat dit pensioen in.

Deeltijd met pensioen

Vanaf 60 jaar is het mogelijk om deeltijd met pensioen te gaan. U kunt dan in deeltijd met pensioen en nog deeltijd werken. U kunt kiezen om voor 20%, 40%, 60% of 80% deeltijd met pensioen te gaan. U zit niet vast aan uw keuze voor het percentage dat u deeltijd met pensioen gaat. U mag dit stapsgewijs verhogen. Verlagen mag niet.

Als u gedeeltelijk blijft werken, bouwt u voor dat deel nog pensioen op. Maar vanaf het moment dat u 68 jaar wordt, kunt u geen pensioenpremie meer te betalen en bouwt u geen pensioen meer op.

Deeltijdpensioen is mogelijk tot u 73 jaar bent. Daarna gaat het pensioen volledig in. Voor pensioenaanspraken bij de keuzeverzekeraars geldt dat deze uiterlijk tot uitkering komen als u 70 jaar wordt.

Een van hoog naar laag aflopend pensioen 

U kunt kiezen voor een hoger ouderdomspensioen dat elk jaar 2,25% lager wordt. U kiest dan voor een andere verdeling van uw pensioen.

Uiteraard proberen wij net als bij de standaard verdeling, uw pensioen elk jaar te verhogen.

Een hoger ouderdomspensioen en een lager partnerpensioen. Of juist omgekeerd 

U kunt, als uw partner daar mee instemt, ervoor kiezen om ouderdomspensioen en partnerpensioen met elkaar uit te ruilen. U kiest dan voor een hoger ouderdomspensioen of juist een hoger partnerpensioen.

Uitruil van partnerpensioen voor een hoger ouderdomspensioen betekent dat u uw partnerpensioen - of een deel daarvan - inlevert om daarmee uw ouderdomspensioen te verhogen. Als u partnerpensioen uitruilt, ontvangt uw partner na uw overlijden minder of zelfs geen pensioen. Als u geen partner heeft, wordt het partnerpensioen standaard uitgeruild voor een hoger ouderdomspensioen.

Het is ook mogelijk om ouderdomspensioen uit te ruilen voor een hoger partnerpensioen. Uw ouderdomspensioen wordt dan lager, maar uw partner krijgt een hoger partnerpensioen op het moment dat u komt te overlijden. Het partnerpensioen kan nooit meer dan 70% van het ouderdomspensioen (na uitruil) bedragen.

Meer weten over uw pensioenregeling?

Lees dan onze brochure ‘De pensioenregeling van SPH’ of kijk bij Pensioen 1-2-3. Meer over uw keuzemogelijkheden leest u in de brochure ‘Bijna met pensioen’.

Heeft u vragen? Neem dan gerust contact op met ons.